Youssef El Rhalifioui wil voorbeeld zijn

De talentvolle 400-meterloper Youssef El Rhalfioui (19) maakte pas kennis met atletiek toen hij op z'n elfde naar Nederland verhuisde. Toch legde hij de basis in het Marokkaanse Larache, waar hij moest sprinten om uit de handen van zijn woedende zwager te blijven. 'Ik was een stout jochie, maar nu niet meer. Ik wil een voorbeeld zijn voor de Marokkanen.'

Uitlachen

Hij heeft niet de gemakkelijkste sport uitgekozen om zijn voorbeeldfunctie te vervullen. Ten eerste is er de fysieke martelgang die de atleet op de 400 meter ondergaat. 'Na mijn eerste 400 moest ik overgeven en kon ik bijna niet meer opstaan,' vertelt El Rhalfioui. Dat was in 2001 bij het Europa-Cuptoernooi in Madrid, waar de junior - van origine een sprinter - mocht invallen in het estafetteteam van AAC. Hij liep meteen een lage 48'er. 'Dat was een wereldtijd, maar ik had maar één gedachte: dit doe ik nooit meer.' De pijn vindt hij tegenwoordig zelfs fijn. Maar daarnaast heeft zijn sport een marginale status. Dat hindert de jonge Amsterdammer echter ook niet. Geregeld spreekt hij jongens op straat aan. 'Hangen ze rond bij Lelylaan. 'Ga toch sporten,' zeg ik dan.' Wat doe jij dan, is steevast de wedervraag. 'Als ik vertel dat ik aan atletiek doe, lachen ze me meestal uit. Dat begrijpen ze echt niet. Dat moet ik helemaal uitleggen. Maar voor een uitdaging zijn ze wel gevoelig. Ik heb vaak jongens meegenomen die dachten dat ze van mij konden winnen. Dan verloren ze en hadden ze het na één keer wel weer gezien. Terwijl ze vaak veel talent hebben. Dat is echt doodzonde. Ik ben zo'n beetje de enige Marokkaan die in Nederland aan atletiek doet.' Dat is niet helemaal waar. El Rhalfioui, die na zijn zware blessure op de NK geen indruk kon maken in zijn serie, werd zaterdag overschaduwd door een andere Marokkaanse afgevaardigde. De juniore Najla Jaber werd zaterdag in Gent verrassend Nederlands kampioene op de 800 meter.

Veel talentjes

De twee atleten zijn vooralsnog de witte raven. En dat doet bondscoach Peter Verlooy, die tevens clubtrainer is van El Rhalfioui, verdriet. 'Jaren geleden had ik een schoolproject opgezet in Utrecht. Dan kregen de kinderen tien weken gratis atletiekles. Dat was een enorm succes. Toen de elfde week echter beslist moest worden over een lidmaatschap, kwam niemand opdagen. Daar zaten veel talentjes tussen. Maar ik begrijp het wel: als je zeven kinderen heb, kun je ze niet allemaal op een sportclub doen.' El Rhalfioui liet zich daar niet door ontmoedigen. 'Ik kreeg niet de steun van thuis, het moest echt uit mezelf komen. Mijn ouders komen ook nooit kijken. Ik moest zelf mijn spikes betalen. Ik heb heel veel baantjes gehad: ik heb Het Parool ook nog rondgebracht. Tot voor kort werkte ik op Schiphol, bij de bagageafdeling. Maar daar ben ik mee gestopt omdat ik te veel last van mijn rug kreeg.' Sinds deze zomer hoeft hij er geen bijbaantje meer op na te houden. De sprinter kan zich volledig richten op de atletiek en zijn mbo-opleiding metaaltechniek. Dankzij zichzelf. Verlooy noemt zijn jonge pupil een handige regelaar, een ritselaar. Hij lijkt in elk geval een betere sponsorwerver dan de KNAU. Van zijn hoofdsponsor, een Amsterdamse sportschool, kreeg El Rhalfioui zelfs een auto, zodat hij dagelijks op tijd in Utrecht kan zijn voor de training. 'Dat regelt hij allemaal zelf, als pikkie van achttien,' zegt Verlooy met een grijns. 'Hij stelt brieven op, vraagt wat ik ervan vind en dan haal ik de stijlfouten eruit.'

Terug naar Hellas

Dat zegt veel over zijn instelling. El Rhalfioui was tot dit seizoen lid van de Amsterdamse club AAC, maar stapte onlangs uit onvrede over naar Hellas. 'AAC top? Dat was vroeger. Ik had geen goede trainingsmaatjes. Ze waren niet allemaal even gemotiveerd. Er werd te veel lol getrapt. Dat vind ik prima, maar dat moet niet ten koste van mij gaan. En ik wil elk jaar vooruitgang boeken. Uiteindelijk wil ik naar de Spelen. Niet Athene, maar Peking.' 'Daarom wilde ik terug naar Peter Verlooy, die mij een paar jaar geleden ook bij AAC trainde. Ik voel me thuis bij hem. Elke training leer ik iets en ga ik met een goed gevoel naar huis.' Verlooy: 'Ik vroeg mij af hoe hij dat zou regelen, met vervoer enzovoort, maar het is hem gelukt. Ik heb een groep met heel ambitieuze sporters, zoals Jochem Uytdehaage en Patrick van Balkom. Youssef heeft ook duidelijke doelen voor ogen, hij weet heel goed waar hij mee bezig is. Hij heeft ook de lange termijn in zijn hoofd, dat zie je niet zo vaak bij jongens van zijn leeftijd.'

Larache

Al kun je het ook overdrijven. Vorig seizoen liep El Rhalfioui de limiet voor de WK junioren in Jamaica, maar kon hij niet mee omdat zijn naturalisatie nog niet was geregeld. 'Daar baal ik achteraf wel van,' zegt de atleet. 'Van alle kanten kreeg ik te horen: je kunt de limiet lopen, je moet je snel laten naturaliseren. 'Ah, rustig aan joh, die limiet haal ik nog niet,' zei ik. Ik liep toen 49 seconden en ik moest 48.00 lopen.' Wat ook meespeelde was dat hij nog heeft getwijfeld voor welk land hij wilde uitkomen. 'De Marokkaanse bond was ook wel geïnteresseerd. Als je 47 loopt, moet je contact met ons opnemen. Ik koos toch voor Nederland. Ik woon hier nog niet zo lang, maar ik ben toch al aardig geïntegreerd.' El Rhalfioui verhuisde van het idyllische Larache, een aan de Atlantische Oceaan gelegen kustplaats, naar de luidruchtigste plek van Nederland. 'We hebben drie jaar aan het Leidseplein gewoond. Ik vond het prachtig. Maar het werd wel een beetje krap, dus zijn we naar Zuid verhuisd.' Pas in Nederland maakte El Rhalfioui kennis met atletiek. 'Dat kenden wij helemaal niet in Larache. Al deden we wel sprintwedstrijdjes op straat. Tegen iemand anders rennen die je niet kon zien, omdat hij aan de andere kant van de wijk startte. En dan kwam je elkaar op de helft tegen.' 'En ik kreeg ook wel vaak woedende familieleden achter mij aan,' bekent hij. 'Ik was wel stout, ja. Ik had vooral vaak ruzie met mijn zwager. Dan schold ik op hem en kwam hij achter mij aan. Maar hij kreeg me nooit te pakken. Dat is achteraf misschien wel een goede training geweest.'

Voorbeeld

De eerste sport die hij in Nederland beoefende, was tafeltennis. 'Laat ik maar iets doen wat niemand anders doet, dacht ik. Een jaar later was er met school een sportdag en sprong ik 1,61 meter met hoogspringen. Je moet op atletiek, zei iedereen.' 'De meeste Marokkanen doen aan voetbal of kickboksen. Voor atletiek moet je veel discipline hebben en dat hebben ze meestal niet. Er zijn genoeg Marokkaanse talenten, maar vaak geven ze het ook te snel op. dat zit misschien wel een beetje in onze cultuur. Mijn broer Nordin (24) was ook een goede hardloper, maar hij ging meer voor het geld.' 'De meeste Marokkaanse jongens willen er goed uitzien. Ik ging liever Asics kopen en daar lekker op trainen. Maar dat is niet cool. Ze willen allemaal Nikes. Mij interesseert dat helemaal niet. Wat moet ik nou met geld?' Hij geniet meer van atletiek. 'Als ik een dag niet kan trainen, mis ik echt iets. Dat hangen op straat, daar voelde ik mij nooit zo toe aangetrokken. Daardoor hebben we ook een slechte naam. Als ik in de tram zit en ik zie een oud vrouwtje die haar tasje tegen zich aandrukt, vind ik dat niet leuk. Daarom wil ik ook een voorbeeld zijn. Dat ze zeggen: hij is iemand die iets heeft gepresteerd.'

© Parool maandag 17 februari 2003